Torbens kersen

Kopenhagen, 28 november 1517

Mijn leven is in gevaar. Sinds ik dat weet, kan ik geen rust meer vinden. Alleen als ik in mijn kleine kelderruimte bezig ben met het mengen van ingrediënten, kalmeer ik enigszins. Mijn kruiden zijn me dierbaar. Dat is altijd al zo geweest. Ik genees mezelf bij kleine kwalen en nu ik bijna vijftig ben, helpt mijn kruidenkennis me om mijn stijfheid te verminderen.
Ook Dyveke plukte de vruchten van mijn vaardigheden. Het is geen toeval dat ze nooit in verwachting is geraakt. Het was beter zo.
Terwijl ik een kalmerend middel bereid, denk ik terug aan mijn laatste gesprek met Christiaan. Het is ruim vier weken geleden dat ik mijn beschuldiging heb geuit. Sindsdien heb ik hem niet meer gesproken. Houdt hij mij uit vrije wil op afstand? Of heeft iemand anders mijn positie ingenomen? Torben? De onzekerheid maakt me gek.
Nog even en ik kan mijn drankje innemen.
Een luide klop op mijn voordeur doet mijn hart ineens harder bonzen. Vlug, maar zorgvuldig, maak ik de tafel leeg en verstop ik mijn kruiden in een geheime ruimte onder de vloer.
Weer wordt er geklopt. De persoon die aan mijn deur staat, is blijkbaar ongeduldig.
Ik haal diep adem en sluit het kleine luikje, dat nauwelijks opvalt tussen de vloerplanken.
‘Ik kom eraan.’

———————————————————————————————–

21 september 1517

‘Het spijt me, Majesteit. Ze is dood.’
Ik spreek de woorden zacht, maar duidelijk uit. Christiaan moet me goed begrijpen. Dit is mijn enige kans om hem te overtuigen. Waarschijnlijk zal hij weer in een van zijn gitzwarte periodes afglijden. Maar dat laat me koud. Ik heb immers baat bij een labiele koning.
Vanaf zijn troon staart hij me met onverholen verbazing aan. Hij staat op en komt tergend langzaam in mijn richting. Zijn donkerblauwe mantel sleept over de grond. Vlak voor me staat hij stil.
Van zo dichtbij valt extra op hoe lang hij is. Hij moet zijn hoofd buigen om me aan te kijken en ik zie op ooghoogte alleen zijn rode baard.
‘Waarom liegt u?’ bijt hij me toe. ‘Dyveke kan niet dood zijn. Ze is kerngezond.’
We houden elkaars blik vast. Ik ruik de geur van kruidenwijn die uit zijn mond komt. Het maakt me misselijk, maar ik verzet geen stap en blijf hem aankijken.
Dan zie ik een zweem van verdriet over zijn gezicht glijden.
‘Is het waar?’ fluistert hij.
‘Helaas wel,’ zeg ik, terwijl ik probeer medeleven in mijn blik te leggen. ‘Gisteravond was er nog niets met haar aan de hand. Ze is gewoon gaan slapen, zonder ergens over te klagen. Vanochtend vond ik haar dood in bed.’
Een schok van pijn dringt met kracht mijn lichaam binnen en doet mijn benen hun stevigheid verliezen. Ik wankel en ban het beeld van haar grauwe, dode lichaam zo snel mogelijk uit mijn hoofd. Kalm blijven. Zelfs al lijken verdriet en schuldgevoel mijn lichaam in tweeën te splijten, mijn belangrijkste prioriteit is nu het veiligstellen van mijn positie aan het Deense hof. Nooit wil ik terug naar de armoede van voorheen.
Christiaan schudt, schijnbaar nog steeds vol ongeloof, zijn hoofd.
‘Hoe is het mogelijk?’ mompelt hij. ‘Zo jong en gezond.’
Onmiddellijk zie ik haar voor me, zoals ze de laatste avond bij mij aan tafel zat. Een natuurlijke schoonheid, voor wie Christiaan direct bij hun eerste ontmoeting een vurige liefde had opgevat.
Ik zie hem zijn vuisten ballen. Hij lijkt te worstelen om kalm te blijven en wendt zijn hoofd naar alle kanten, alsof hij iets zoekt. Dan kijkt hij me recht in de ogen.
‘Wat kan er gebeurd zijn?’
Dit is het moment. Niet aarzelen! Ik moet mijn grootste tegenstander uit de weg zien te ruimen. Zal Christiaan me geloven? Zo niet, dan rest me waarschijnlijk weinig anders dan te bidden dat ik Denemarken levend kan verlaten.
Mijn buik verkrampt. Ik zie Dyvekes lijk weer voor me en moet me inspannen om niet over te geven. Is het spijt die me verteert?
‘Ik denk dat het gif was,’ weet ik uit te brengen.
‘Wát?’ Christiaans stem galmt door de hoge ruimte.
Even blijft het stil.
Dan echoot zijn bizarre lach tegen de stenen wanden en vloer. Kippenvel springt op mijn armen bij het horen van de schelle klank.
Hij loopt naar een kleine tafel waarop een kroes wijn en een mandje brood staan en smijt het meubelstuk met één krachtige beweging tegen de grond, waardoor de wijn tegen de muur spat. Zijn gelach gaat over in ongecontroleerd geschreeuw en zweetdruppels parelen op zijn voorhoofd. Meteen daarna keert hij zich van me af en gaat in een van de vensternissen staan, met zijn handen op zijn rug en zijn ogen gericht op de binnenplaats.
‘Waarop baseert u deze uitspraak?’ vraagt hij op scherpe toon. ‘Bij mijn weten bent u geen arts. Of hebt u op een andere manier kennis over vergiften opgedaan?’
Ik moet de waarheid verbergen, maar mijn zwijgen drijft hem tot razernij.
Hij stormt op me af.
‘Zeg het!’ schreeuwt hij. ‘Waarom denkt u dat het gif was? U roept nooit zomaar iets zonder goede argumenten. Waar komt dit vermoeden vandaan?’
Ik slik, maar mijn keel blijft dichtzitten. Tranen komen omhoog en banen zich een weg naar buiten. Het komt me goed uit dat ik juist nu mijn zelfbeheersing verlies. Vaak ben ik zijn sterke schouder. Mijn zwakte op dit moment zal hem doen denken dat ik de waarheid spreek.
‘Het kan niet anders dan gif geweest zijn,’ zeg ik snikkend. ‘Het moet in de kersen gezeten hebben. Het geschenk van Torben Oxe. Ik vond haar liggend in haar braaksel. Het was moord.’
Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en brengt zijn gezicht vlak voor dat van mij.
‘Torben Oxe bracht uw dochter kersen?’
Fanatiek knik ik, terwijl ik de tranen uit mijn ogen veeg.
‘Hij aanbad Dyveke. Ik denk dat hij minstens evenveel van haar hield als u.’
Ik verwacht weer een uitval, maar die blijft uit. In plaats daarvan wendt hij zich van mij af en gaat weer bij het venster staan. Daar barst hij in tranen uit. Zijn uithalen klinken even ijselijk als zijn eerdere lach.
Een kort moment ben ik terug in onze marktkraam in Bergen. Nooit eerder was ik zo blij met mijn bakkerskwaliteiten als de dag waarop Dyveke met onze heerlijke wafels zijn aandacht trok. Christiaan bleek behoefte te hebben aan een moederfiguur. Ik zorgde ervoor dat ik dat werd.
Als ik mijn neus ophaal, schrik ik van het veel te harde geluid dat ik daarmee maak.
Het geluid lijkt hem uit zijn waan te halen en hij keert zich naar mij. Over zijn wangen lopen vuile vegen. Gelooft hij me? Hij hield van Dyveke en ik weet dat hij jaloers was op zijn slotvoogd, die de laatste tijd veel aandacht aan haar besteedde. Maar is dat genoeg?
‘Gifmoord,’ zegt hij zacht. ‘De lafaard. Daar zal hij voor boeten. Hij gaat de kerker in.’
Hij stiefelt langs me heen richting de deur, maar vlak voor hij die bereikt, bedenkt hij zich en komt terug naar mij.
Nauwelijks hoorbaar fluistert hij in mijn oor: ‘Maar wie zegt mij, moeder Sigbrit, dat u zelf geen gif op die kersen hebt aangebracht? De hele stad praat over uw ketterse praktijken.’
Zonder mijn antwoord af te wachten laat hij me alleen.
Met opeengeklemde lippen kijk ik hem na. Ik merk pas dat ik mijn adem een hele tijd heb ingehouden, als ik de lucht langzaam uitblaas.

12 november 1517

Ik voel haar aanwezigheid. Tijdens stormachtige herfstnachten als deze, waarin de kaarsen naast mijn bed flakkeren en ik uren lig te woelen, dringt ze zich aan me op. Wat ze zegt, versta ik niet. Haar toon is echter onmiskenbaar verwijtend.
De haartjes op mijn armen gaan recht overeind staan en er trekt een rilling door mijn lijf. Ik trek mijn deken steviger om me heen, maar de huiveringen blijven. Langzaam krijgt ze een steeds stevigere grip op mijn geweten. Eraan ontsnappen is onmogelijk.
Torben is onschuldig.
Natuurlijk wilde mijn vijand mij en mijn dochter verwijderen van het hof, maar niet op deze manier. Hij wist dat Dyvekes dood Christiaan ertoe zou kunnen brengen haar als een heilige te vereren. Misschien zelfs met mij erbij.
Zijn plan was haar te verleiden tot ontrouw en bewijs daarvan aan de bedrogen Christiaan door te spelen. Bij het horen van dat nieuws had die dwaas haar en mij waarschijnlijk verbannen. Dan zou alles verloren zijn geweest.
Uiteraard heeft Torben me dit nooit verteld. Desondanks ben ik overtuigd van mijn gelijk.
Mijn naïeve dochter dacht dat het echte liefde was. Haar genegenheid voor Christiaan was tanende. Er moest iets gebeuren.
Was het offer dat ik bracht te groot?
Elke nacht overstelpt ze me met bittere verwijten. De kou die ze meebrengt, versteent me tot op het bot.
Stram sta ik op uit mijn bed en schuifel naar het venster.
De dag breekt aan. Ik kan net zo goed opstaan.
Het is te lang geleden dat Torben werd opgesloten. Vandaag moet ik Christiaan gaan vragen waarom mijn vijand nog niet op de brandstapel is gezet. Zodra Torben dood is, zal Dyveke me ongetwijfeld niet meer lastigvallen.
Het regent hevig als ik de binnenplaats van het kasteel oploop. Mijn mantel is niet waterdicht en ik voel dunne waterstroompjes langs mijn rug lopen. Opspattende modder maakt bruine vlekken op mijn in sandalen gestoken voeten.
Plotseling grijpt iemand me hardhandig bij mijn schouder.
Ik hap naar adem en draai me om.
Torben Oxe.
Meteen knijpt mijn keel zich stevig samen.
‘Kijk eens aan, moeder Sigbrit,’ zegt hij met een gespeeld geamuseerde toon in zijn stem, die me doet huiveren. ‘Wat komt u hier doen vandaag?’
‘Laat me los!’ zeg ik zo ferm mogelijk, terwijl ik probeer zijn hand van mijn schouder te duwen.
‘U hebt me nog geen antwoord gegeven op mijn vraag,’ zegt hij met opgetrokken wenkbrauwen.
Zijn grijze ogen staan woest. Op zijn lippen zie ik een beetje speeksel liggen.
‘Ik kom om de koning te spreken.’ Ik hoor zelf de onzekerheid die in mijn woorden weerklinkt.
Helaas is hij te sterk voor mij. Een harde hand sluit zich om mijn rechterarm en hij trekt me mee. Scheldend sla ik op hem in, maar hij laat me niet los.
In een half verborgen nis in de kasteelmuur duwt hij me hard naar achteren en beland ik met mijn rug tegen de muur. Hij plet me bijna door met zijn volle gewicht tegen me aan te gaan staan. Een uitstekende steen striemt mijn rug en de pijnscheut die door mijn lijf schiet, ontlokt me een kreet. Zijn donkerbruine laars plaatst hij vol op mijn rechtervoet.
‘Wat komt u doen?’ schreeuwt hij in mijn gezicht.
‘Dat heb ik al gezegd. Ik kom de koning spreken.’ Tevergeefs probeer ik zo veel mogelijk overtuigingskracht in mijn woorden te leggen.
‘Wat wilt u gedaan krijgen? Weer nieuwe belastingen voor de adel? Nog meer burgers op hoge posities aan het hof? Uw beleid versterkt de macht van de koning, ten koste van ons, de edelen. Daar zijn we niet blij mee, moeder Sigbrit. Ik probeer de koning te overtuigen van de verderfelijkheid van uw beslissingen, maar hij luistert niet eens meer naar zijn slotvoogd.’
Hij stampt hard op mijn voet en ik schreeuw het uit als ik de tenen voel kraken.
‘Uw aanwezigheid is mij een doorn in het oog. Als onze koning wordt bezeten door zijn donkere demonen, dan houd ik mijn hart vast. Dan regeert er een heks!’
Zijn ogen fonkelen. Hij grijpt zijn dolk en houd die vlak voor mijn hals.
‘Ik zou u eigenlijk ter plekke moeten ombrengen,’ mompelt hij. ‘Maar zo’n snelle en pijnloze dood gun ik u niet. De brandstapel past u beter.’
Zijn lach klinkt wreed en ik voel mijn maag zich samentrekken. Met mijn vrije been geef ik hem een trap. Direct krijg een dreun terug, vol tegen mijn oog.
Dit gevecht win ik niet op kracht, besef ik. Woorden zullen mijn enige wapen zijn.
‘Bent u vergeten wie ik ben?’
‘Hoe zou ik dat kunnen vergeten?’ Hij grinnikt. ‘De vrouw die onze koning heeft overvleugeld. Die haar dochter in het koninklijke bed heeft geschoven voor eigen gewin. Een oude lelijke marktvrouw met hoogmoedswaanzin! En nu hebt u het zelfs in uw hoofd gehaald om mij van moord te beschuldigen. Blijkbaar wilt u net zo hard van mij af, als ik van u. Maar u kunt mij niet onterecht laten executeren.’
‘Wie zegt dat ik van u af wil?’ Meer dan gepiep komt er niet uit mijn keel.
‘Dat weet u best. Een onduidelijk verhaal over mijn kersen. Blijkbaar kwam ik te dicht bij u. En bij uw waardevolle parel. U verwijt mij ongetwijfeld dat ik haar wilde gebruiken. Maar u hebt haar zelf zonder pardon opgeofferd. Wilde u haar behoeden voor een fatale fout?’
Ik móet Christiaan te spreken krijgen. Het is mijn enige kans om Torben ter dood te laten brengen. En daarmee om zelf te overleven. Als Torben in leven blijft, krijg ik mijn terechte straf in plaats van de macht die ik tegen elke prijs wil behouden.
De pijn verbijtend recht ik mijn rug.
‘De koning zal het er beslist niet mee eens zijn dat u me zo behandelt. Pas op dat u hem niet tegen u in het harnas jaagt.’
Tot mijn stomme verbazing laat hij me los. Hij stapt echter niet opzij.
‘Ik denk dat u uw betekenis in het leven van onze koning schromelijk overschat,’ zegt hij met leedvermaak in zijn stem. ‘De Rijksraad heeft me vrijgesproken vanwege een gebrek aan bewijs. Tegen dat vonnis wilt u toch zeker niet in gaan?’
Zo woedend als zijn ogen net stonden, zo triomfantelijk staan ze nu.
Met moeite houd ik mijn gezicht in de plooi. Ik weet niets van de rechtszaak, maar dat hoeft hij niet te weten.
‘Wegwezen!’ bijt hij me toe. ‘U hebt hier niets te zoeken. Als het aan mij ligt, verdwijnt u voorgoed.’
Hij zet een stap opzij zodat ik hem kan passeren.
Als ik probeer langs hem heen richting de toegangspoort te glippen, grijpt hij me vast.
‘U loopt de verkeerde kant uit, moeder Sigbrit. De uitgang is daar. Ik breng u wel even.’
Met zijn hand op mijn arm loopt hij met me mee naar de straat. Ik zwijg en probeer nog een beetje waardigheid te tonen door mijn hoofd rechtop te houden.
‘Wij spreken elkaar binnenkort nog,’ zegt hij grimmig, als ik de binnenplaats verlaat.
Mijn leven is in gevaar.

———————————————————————————————–

28 november 1517

Het geklop op mijn deur klinkt steeds dringender. Ik vrees dat het Torben is die mij komt opzoeken, maar probeer die angst weg te drukken. Een man die zo trots is op zijn stand zou zich toch niet verlagen tot een bezoek aan mijn bescheiden woning? Of neemt zijn roep om wraak dit bezwaar weg?
Mijn hart roffelt terwijl ik naar de voordeur loop.
Als ik open doe kan ik mijn glimlach niet verbergen. Zo blij ben ik om Christiaan te zien.
Hij staat voor mijn deur alsof Dyveke nog leeft en hij haar komt bezoeken.
‘Moeder Sigbrit, wij moeten praten.’
‘Natuurlijk, Majesteit, kom binnen.’
Terwijl hij langs me heen mijn kleine hal in loopt, kijk ik vanuit de deuropening vlug naar links en rechts. Er is verder niemand te zien. Even later zitten we tegenover elkaar in mijn comfortabele zetels.
‘We hebben elkaar lange tijd niet gesproken.’
Het klinkt alsof dat feit hem verbaast.
Ik verlang enorm naar mijn rustgevende kruidendrankje. Waarom heeft hij me niet eerder bezocht of ontboden? Een antwoord op deze vraag krijg ik niet.
‘Ik heb Torben Oxe voor de rechtbank gedaagd.’ Zijn ogen lichten op.
Ik knik ten teken dat ik dat al weet. ‘Hij is vrijgesproken, begreep ik.’
‘Door de Rijksraad, ja!’
Hij staat met een ruk op uit zijn stoel en begint rondjes te lopen door mijn woonkamer.
‘Maar niet door mijn nieuwe rechtbank!’
Die mededeling doe mijn mond openvallen.
‘Hebt u een andere rechtbank geïnstalleerd?’ vraag ik ademloos.
Hij stampt om me heen, met zijn handen in zijn zij. Zijn baard beweegt mee met zijn woeste passen.
‘Dat heb ik inderdaad,’ zegt hij na een korte stilte. ‘Een rechtbank van boeren uit de omgeving van de stad. Zij veroordeelden Torben tot de dood. Hij zal sterven op de brandstapel.’
Hij staat stil, werpt zijn hoofd in zijn nek en stoot zijn lugubere vreugde uit. Een koortsige glans ligt in zijn ogen, de schittering die er altijd is in de korte perioden waarin hij denkt dat hij onfeilbaar is en de hele wereld naar zijn hand kan zetten.
‘U had gelijk, zoals altijd. Ik kon niet toestaan dat Dyvekes dood ongestraft zou blijven. Torben heeft mij haar moedwillig afgenomen. Hij betaalt ervoor met zijn leven.’
Zonder mij de kans te geven nog iets te vragen, draaft hij naar deur.
‘Ik zie u morgenochtend. De verbranding begint direct na de vroegmis.’
Mijn aanvankelijke verbijstering zakt snel weg.
Zo ken ik hem weer. Natuurlijk luistert hij naar me. Hij kan immers niet zonder mij.
Hoe heb ik ooit kunnen denken dat hij me had laten vallen?
Mijn leven is niet in gevaar. Mijn positie evenmin. Die is juist sterker dan ooit tevoren.
Tevreden leun ik achterover in de zetel, sluit mijn ogen en verheug me op morgen.

Reageren? Dat kan hier:

Eén gedachte over “Torbens kersen”

  1. Hi Kristel, wat een bijzonder verhaal! Ik ben natuurlijk geen professionele beoordelaar, maar probeer hier toch mijn mening te geven🤓
    – interessant verhaal, redelijk spannend en goede opzet door in het midden van het verhaal terug in de tijd te gaan.
    – soms een beetje teveel uitleg, misschien beter als je zinnetje als bijv “ Hij is te sterk voor mij.” weg laat. Maar ben ook verrast door mooie vondsten zoals “waardevolle parel”.
    – ik vind over het algemeen de zinnen te kort. Het is misschien mooier als je bijzinnen, met een komma verbindt in plaats van wee als nieuwe zin. Het is hierdoor een beetje staccato om te lezen, loopt niet zo vloeiend.
    Ben heel benieuwd naar een volgend verhaal. En naar je roman! veel succes, Kristel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *