Torbens kersen

Kopenhagen, 28 november 1517

Mijn leven is in gevaar. Sinds ik dat weet, kan ik geen rust meer vinden. Alleen als ik in mijn kleine kelderruimte bezig ben met het mengen van ingrediënten, kalmeer ik enigszins. Mijn kruiden zijn me dierbaar. Dat is altijd al zo geweest. Ik genees mezelf bij kleine kwalen en nu ik bijna vijftig ben, helpt mijn kruidenkennis me om mijn stijfheid te verminderen.
Ook Dyveke plukte de vruchten van mijn vaardigheden. Het is geen toeval dat ze nooit in verwachting is geraakt. Het was beter zo.
Terwijl ik een kalmerend middel bereid, denk ik terug aan mijn laatste gesprek met Christiaan. Het is ruim vier weken geleden dat ik mijn beschuldiging heb geuit. Sindsdien heb ik hem niet meer gesproken. Houdt hij mij uit vrije wil op afstand? Of heeft iemand anders mijn positie ingenomen? Torben? De onzekerheid maakt me gek.
Nog even en ik kan mijn drankje innemen.
Een luide klop op mijn voordeur doet mijn hart ineens harder bonzen. Vlug, maar zorgvuldig, maak ik de tafel leeg en verstop ik mijn kruiden in een geheime ruimte onder de vloer.
Weer wordt er geklopt. De persoon die aan mijn deur staat, is blijkbaar ongeduldig.
Ik haal diep adem en sluit het kleine luikje, dat nauwelijks opvalt tussen de vloerplanken.
‘Ik kom eraan.’

———————————————————————————————–

21 september 1517

‘Het spijt me, Majesteit. Ze is dood.’
Ik spreek de woorden zacht, maar duidelijk uit. Christiaan moet me goed begrijpen. Dit is mijn enige kans om hem te overtuigen. Waarschijnlijk zal hij weer in een van zijn gitzwarte periodes afglijden. Maar dat laat me koud. Ik heb immers baat bij een labiele koning.
Vanaf zijn troon staart hij me met onverholen verbazing aan. Hij staat op en komt tergend langzaam in mijn richting. Zijn donkerblauwe mantel sleept over de grond. Vlak voor me staat hij stil.
Van zo dichtbij valt extra op hoe lang hij is. Hij moet zijn hoofd buigen om me aan te kijken en ik zie op ooghoogte alleen zijn rode baard.
‘Waarom liegt u?’ bijt hij me toe. ‘Dyveke kan niet dood zijn. Ze is kerngezond.’
We houden elkaars blik vast. Ik ruik de geur van kruidenwijn die uit zijn mond komt. Het maakt me misselijk, maar ik verzet geen stap en blijf hem aankijken.
Dan zie ik een zweem van verdriet over zijn gezicht glijden.
‘Is het waar?’ fluistert hij.
‘Helaas wel,’ zeg ik, terwijl ik probeer medeleven in mijn blik te leggen. ‘Gisteravond was er nog niets met haar aan de hand. Ze is gewoon gaan slapen, zonder ergens over te klagen. Vanochtend vond ik haar dood in bed.’
Een schok van pijn dringt met kracht mijn lichaam binnen en doet mijn benen hun stevigheid verliezen. Ik wankel en ban het beeld van haar grauwe, dode lichaam zo snel mogelijk uit mijn hoofd. Kalm blijven. Zelfs al lijken verdriet en schuldgevoel mijn lichaam in tweeën te splijten, mijn belangrijkste prioriteit is nu het veiligstellen van mijn positie aan het Deense hof. Nooit wil ik terug naar de armoede van voorheen.
Christiaan schudt, schijnbaar nog steeds vol ongeloof, zijn hoofd.
‘Hoe is het mogelijk?’ mompelt hij. ‘Zo jong en gezond.’
Onmiddellijk zie ik haar voor me, zoals ze de laatste avond bij mij aan tafel zat. Een natuurlijke schoonheid, voor wie Christiaan direct bij hun eerste ontmoeting een vurige liefde had opgevat.
Ik zie hem zijn vuisten ballen. Hij lijkt te worstelen om kalm te blijven en wendt zijn hoofd naar alle kanten, alsof hij iets zoekt. Dan kijkt hij me recht in de ogen.
‘Wat kan er gebeurd zijn?’
Dit is het moment. Niet aarzelen! Ik moet mijn grootste tegenstander uit de weg zien te ruimen. Zal Christiaan me geloven? Zo niet, dan rest me waarschijnlijk weinig anders dan te bidden dat ik Denemarken levend kan verlaten.
Mijn buik verkrampt. Ik zie Dyvekes lijk weer voor me en moet me inspannen om niet over te geven. Is het spijt die me verteert?
‘Ik denk dat het gif was,’ weet ik uit te brengen.
‘Wát?’ Christiaans stem galmt door de hoge ruimte.
Even blijft het stil.
Dan echoot zijn bizarre lach tegen de stenen wanden en vloer. Kippenvel springt op mijn armen bij het horen van de schelle klank.
Hij loopt naar een kleine tafel waarop een kroes wijn en een mandje brood staan en smijt het meubelstuk met één krachtige beweging tegen de grond, waardoor de wijn tegen de muur spat. Zijn gelach gaat over in ongecontroleerd geschreeuw en zweetdruppels parelen op zijn voorhoofd. Meteen daarna keert hij zich van me af en gaat in een van de vensternissen staan, met zijn handen op zijn rug en zijn ogen gericht op de binnenplaats.
‘Waarop baseert u deze uitspraak?’ vraagt hij op scherpe toon. ‘Bij mijn weten bent u geen arts. Of hebt u op een andere manier kennis over vergiften opgedaan?’
Ik moet de waarheid verbergen, maar mijn zwijgen drijft hem tot razernij.
Hij stormt op me af.
‘Zeg het!’ schreeuwt hij. ‘Waarom denkt u dat het gif was? U roept nooit zomaar iets zonder goede argumenten. Waar komt dit vermoeden vandaan?’
Ik slik, maar mijn keel blijft dichtzitten. Tranen komen omhoog en banen zich een weg naar buiten. Het komt me goed uit dat ik juist nu mijn zelfbeheersing verlies. Vaak ben ik zijn sterke schouder. Mijn zwakte op dit moment zal hem doen denken dat ik de waarheid spreek.
‘Het kan niet anders dan gif geweest zijn,’ zeg ik snikkend. ‘Het moet in de kersen gezeten hebben. Het geschenk van Torben Oxe. Ik vond haar liggend in haar braaksel. Het was moord.’
Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en brengt zijn gezicht vlak voor dat van mij.
‘Torben Oxe bracht uw dochter kersen?’
Fanatiek knik ik, terwijl ik de tranen uit mijn ogen veeg.
‘Hij aanbad Dyveke. Ik denk dat hij minstens evenveel van haar hield als u.’
Ik verwacht weer een uitval, maar die blijft uit. In plaats daarvan wendt hij zich van mij af en gaat weer bij het venster staan. Daar barst hij in tranen uit. Zijn uithalen klinken even ijselijk als zijn eerdere lach.
Een kort moment ben ik terug in onze marktkraam in Bergen. Nooit eerder was ik zo blij met mijn bakkerskwaliteiten als de dag waarop Dyveke met onze heerlijke wafels zijn aandacht trok. Christiaan bleek behoefte te hebben aan een moederfiguur. Ik zorgde ervoor dat ik dat werd.
Als ik mijn neus ophaal, schrik ik van het veel te harde geluid dat ik daarmee maak.
Het geluid lijkt hem uit zijn waan te halen en hij keert zich naar mij. Over zijn wangen lopen vuile vegen. Gelooft hij me? Hij hield van Dyveke en ik weet dat hij jaloers was op zijn slotvoogd, die de laatste tijd veel aandacht aan haar besteedde. Maar is dat genoeg?
‘Gifmoord,’ zegt hij zacht. ‘De lafaard. Daar zal hij voor boeten. Hij gaat de kerker in.’
Hij stiefelt langs me heen richting de deur, maar vlak voor hij die bereikt, bedenkt hij zich en komt terug naar mij.
Nauwelijks hoorbaar fluistert hij in mijn oor: ‘Maar wie zegt mij, moeder Sigbrit, dat u zelf geen gif op die kersen hebt aangebracht? De hele stad praat over uw ketterse praktijken.’
Zonder mijn antwoord af te wachten laat hij me alleen.
Met opeengeklemde lippen kijk ik hem na. Ik merk pas dat ik mijn adem een hele tijd heb ingehouden, als ik de lucht langzaam uitblaas.

12 november 1517

Ik voel haar aanwezigheid. Tijdens stormachtige herfstnachten als deze, waarin de kaarsen naast mijn bed flakkeren en ik uren lig te woelen, dringt ze zich aan me op. Wat ze zegt, versta ik niet. Haar toon is echter onmiskenbaar verwijtend.
De haartjes op mijn armen gaan recht overeind staan en er trekt een rilling door mijn lijf. Ik trek mijn deken steviger om me heen, maar de huiveringen blijven. Langzaam krijgt ze een steeds stevigere grip op mijn geweten. Eraan ontsnappen is onmogelijk.
Torben is onschuldig.
Natuurlijk wilde mijn vijand mij en mijn dochter verwijderen van het hof, maar niet op deze manier. Hij wist dat Dyvekes dood Christiaan ertoe zou kunnen brengen haar als een heilige te vereren. Misschien zelfs met mij erbij.
Zijn plan was haar te verleiden tot ontrouw en bewijs daarvan aan de bedrogen Christiaan door te spelen. Bij het horen van dat nieuws had die dwaas haar en mij waarschijnlijk verbannen. Dan zou alles verloren zijn geweest.
Uiteraard heeft Torben me dit nooit verteld. Desondanks ben ik overtuigd van mijn gelijk.
Mijn naïeve dochter dacht dat het echte liefde was. Haar genegenheid voor Christiaan was tanende. Er moest iets gebeuren.
Was het offer dat ik bracht te groot?
Elke nacht overstelpt ze me met bittere verwijten. De kou die ze meebrengt, versteent me tot op het bot.
Stram sta ik op uit mijn bed en schuifel naar het venster.
De dag breekt aan. Ik kan net zo goed opstaan.
Het is te lang geleden dat Torben werd opgesloten. Vandaag moet ik Christiaan gaan vragen waarom mijn vijand nog niet op de brandstapel is gezet. Zodra Torben dood is, zal Dyveke me ongetwijfeld niet meer lastigvallen.
Het regent hevig als ik de binnenplaats van het kasteel oploop. Mijn mantel is niet waterdicht en ik voel dunne waterstroompjes langs mijn rug lopen. Opspattende modder maakt bruine vlekken op mijn in sandalen gestoken voeten.
Plotseling grijpt iemand me hardhandig bij mijn schouder.
Ik hap naar adem en draai me om.
Torben Oxe.
Meteen knijpt mijn keel zich stevig samen.
‘Kijk eens aan, moeder Sigbrit,’ zegt hij met een gespeeld geamuseerde toon in zijn stem, die me doet huiveren. ‘Wat komt u hier doen vandaag?’
‘Laat me los!’ zeg ik zo ferm mogelijk, terwijl ik probeer zijn hand van mijn schouder te duwen.
‘U hebt me nog geen antwoord gegeven op mijn vraag,’ zegt hij met opgetrokken wenkbrauwen.
Zijn grijze ogen staan woest. Op zijn lippen zie ik een beetje speeksel liggen.
‘Ik kom om de koning te spreken.’ Ik hoor zelf de onzekerheid die in mijn woorden weerklinkt.
Helaas is hij te sterk voor mij. Een harde hand sluit zich om mijn rechterarm en hij trekt me mee. Scheldend sla ik op hem in, maar hij laat me niet los.
In een half verborgen nis in de kasteelmuur duwt hij me hard naar achteren en beland ik met mijn rug tegen de muur. Hij plet me bijna door met zijn volle gewicht tegen me aan te gaan staan. Een uitstekende steen striemt mijn rug en de pijnscheut die door mijn lijf schiet, ontlokt me een kreet. Zijn donkerbruine laars plaatst hij vol op mijn rechtervoet.
‘Wat komt u doen?’ schreeuwt hij in mijn gezicht.
‘Dat heb ik al gezegd. Ik kom de koning spreken.’ Tevergeefs probeer ik zo veel mogelijk overtuigingskracht in mijn woorden te leggen.
‘Wat wilt u gedaan krijgen? Weer nieuwe belastingen voor de adel? Nog meer burgers op hoge posities aan het hof? Uw beleid versterkt de macht van de koning, ten koste van ons, de edelen. Daar zijn we niet blij mee, moeder Sigbrit. Ik probeer de koning te overtuigen van de verderfelijkheid van uw beslissingen, maar hij luistert niet eens meer naar zijn slotvoogd.’
Hij stampt hard op mijn voet en ik schreeuw het uit als ik de tenen voel kraken.
‘Uw aanwezigheid is mij een doorn in het oog. Als onze koning wordt bezeten door zijn donkere demonen, dan houd ik mijn hart vast. Dan regeert er een heks!’
Zijn ogen fonkelen. Hij grijpt zijn dolk en houd die vlak voor mijn hals.
‘Ik zou u eigenlijk ter plekke moeten ombrengen,’ mompelt hij. ‘Maar zo’n snelle en pijnloze dood gun ik u niet. De brandstapel past u beter.’
Zijn lach klinkt wreed en ik voel mijn maag zich samentrekken. Met mijn vrije been geef ik hem een trap. Direct krijg een dreun terug, vol tegen mijn oog.
Dit gevecht win ik niet op kracht, besef ik. Woorden zullen mijn enige wapen zijn.
‘Bent u vergeten wie ik ben?’
‘Hoe zou ik dat kunnen vergeten?’ Hij grinnikt. ‘De vrouw die onze koning heeft overvleugeld. Die haar dochter in het koninklijke bed heeft geschoven voor eigen gewin. Een oude lelijke marktvrouw met hoogmoedswaanzin! En nu hebt u het zelfs in uw hoofd gehaald om mij van moord te beschuldigen. Blijkbaar wilt u net zo hard van mij af, als ik van u. Maar u kunt mij niet onterecht laten executeren.’
‘Wie zegt dat ik van u af wil?’ Meer dan gepiep komt er niet uit mijn keel.
‘Dat weet u best. Een onduidelijk verhaal over mijn kersen. Blijkbaar kwam ik te dicht bij u. En bij uw waardevolle parel. U verwijt mij ongetwijfeld dat ik haar wilde gebruiken. Maar u hebt haar zelf zonder pardon opgeofferd. Wilde u haar behoeden voor een fatale fout?’
Ik móet Christiaan te spreken krijgen. Het is mijn enige kans om Torben ter dood te laten brengen. En daarmee om zelf te overleven. Als Torben in leven blijft, krijg ik mijn terechte straf in plaats van de macht die ik tegen elke prijs wil behouden.
De pijn verbijtend recht ik mijn rug.
‘De koning zal het er beslist niet mee eens zijn dat u me zo behandelt. Pas op dat u hem niet tegen u in het harnas jaagt.’
Tot mijn stomme verbazing laat hij me los. Hij stapt echter niet opzij.
‘Ik denk dat u uw betekenis in het leven van onze koning schromelijk overschat,’ zegt hij met leedvermaak in zijn stem. ‘De Rijksraad heeft me vrijgesproken vanwege een gebrek aan bewijs. Tegen dat vonnis wilt u toch zeker niet in gaan?’
Zo woedend als zijn ogen net stonden, zo triomfantelijk staan ze nu.
Met moeite houd ik mijn gezicht in de plooi. Ik weet niets van de rechtszaak, maar dat hoeft hij niet te weten.
‘Wegwezen!’ bijt hij me toe. ‘U hebt hier niets te zoeken. Als het aan mij ligt, verdwijnt u voorgoed.’
Hij zet een stap opzij zodat ik hem kan passeren.
Als ik probeer langs hem heen richting de toegangspoort te glippen, grijpt hij me vast.
‘U loopt de verkeerde kant uit, moeder Sigbrit. De uitgang is daar. Ik breng u wel even.’
Met zijn hand op mijn arm loopt hij met me mee naar de straat. Ik zwijg en probeer nog een beetje waardigheid te tonen door mijn hoofd rechtop te houden.
‘Wij spreken elkaar binnenkort nog,’ zegt hij grimmig, als ik de binnenplaats verlaat.
Mijn leven is in gevaar.

———————————————————————————————–

28 november 1517

Het geklop op mijn deur klinkt steeds dringender. Ik vrees dat het Torben is die mij komt opzoeken, maar probeer die angst weg te drukken. Een man die zo trots is op zijn stand zou zich toch niet verlagen tot een bezoek aan mijn bescheiden woning? Of neemt zijn roep om wraak dit bezwaar weg?
Mijn hart roffelt terwijl ik naar de voordeur loop.
Als ik open doe kan ik mijn glimlach niet verbergen. Zo blij ben ik om Christiaan te zien.
Hij staat voor mijn deur alsof Dyveke nog leeft en hij haar komt bezoeken.
‘Moeder Sigbrit, wij moeten praten.’
‘Natuurlijk, Majesteit, kom binnen.’
Terwijl hij langs me heen mijn kleine hal in loopt, kijk ik vanuit de deuropening vlug naar links en rechts. Er is verder niemand te zien. Even later zitten we tegenover elkaar in mijn comfortabele zetels.
‘We hebben elkaar lange tijd niet gesproken.’
Het klinkt alsof dat feit hem verbaast.
Ik verlang enorm naar mijn rustgevende kruidendrankje. Waarom heeft hij me niet eerder bezocht of ontboden? Een antwoord op deze vraag krijg ik niet.
‘Ik heb Torben Oxe voor de rechtbank gedaagd.’ Zijn ogen lichten op.
Ik knik ten teken dat ik dat al weet. ‘Hij is vrijgesproken, begreep ik.’
‘Door de Rijksraad, ja!’
Hij staat met een ruk op uit zijn stoel en begint rondjes te lopen door mijn woonkamer.
‘Maar niet door mijn nieuwe rechtbank!’
Die mededeling doe mijn mond openvallen.
‘Hebt u een andere rechtbank geïnstalleerd?’ vraag ik ademloos.
Hij stampt om me heen, met zijn handen in zijn zij. Zijn baard beweegt mee met zijn woeste passen.
‘Dat heb ik inderdaad,’ zegt hij na een korte stilte. ‘Een rechtbank van boeren uit de omgeving van de stad. Zij veroordeelden Torben tot de dood. Hij zal sterven op de brandstapel.’
Hij staat stil, werpt zijn hoofd in zijn nek en stoot zijn lugubere vreugde uit. Een koortsige glans ligt in zijn ogen, de schittering die er altijd is in de korte perioden waarin hij denkt dat hij onfeilbaar is en de hele wereld naar zijn hand kan zetten.
‘U had gelijk, zoals altijd. Ik kon niet toestaan dat Dyvekes dood ongestraft zou blijven. Torben heeft mij haar moedwillig afgenomen. Hij betaalt ervoor met zijn leven.’
Zonder mij de kans te geven nog iets te vragen, draaft hij naar deur.
‘Ik zie u morgenochtend. De verbranding begint direct na de vroegmis.’
Mijn aanvankelijke verbijstering zakt snel weg.
Zo ken ik hem weer. Natuurlijk luistert hij naar me. Hij kan immers niet zonder mij.
Hoe heb ik ooit kunnen denken dat hij me had laten vallen?
Mijn leven is niet in gevaar. Mijn positie evenmin. Die is juist sterker dan ooit tevoren.
Tevreden leun ik achterover in de zetel, sluit mijn ogen en verheug me op morgen.

Stemmen maakt me blij

Vandaag mochten we weer stemmen. Hoewel ik inmiddels al vele keren heb mogen deelnemen aan dit democratische proces, blijf ik het bijzonder vinden dat deze mogelijkheid er is. Ik beschouw stemmen als een grote verantwoordelijkheid, die je als burger serieus moet nemen. Onze voorouders hebben ervoor gestreden. De kansen die ons nu geboden worden, mogen we niet terzijde schuiven omdat we niet weten op wie we moeten stemmen, omdat het regent, of omdat we er simpelweg geen zin in hebben.

Vrouwen

Als vrouw sta ik hier dit jaar extra bij stil. Het is in 2018 namelijk precies 100 jaar geleden dat er voor het eerst een vrouw in de Tweede Kamer werd gekozen. Bij de grondwetsherziening van 1917 werd, naast het algemeen kiesrecht voor mannen, het passief kiesrecht voor vrouwen ingevoerd. Suze Groeneweg, in die periode bestuurslid van de SDAP (de voorloper van de PvdA), stelde zich in 1918 kandidaat tijdens de eerste verkiezingen volgens het nieuwe systeem. Ze werd gekozen en bleef vervolgens bijna twintig jaar parlementslid. Een jaar later werd voor vrouwen ook het actief kiesrecht in de wet opgenomen.

Keuze

Een eeuw later hebben we veel te kiezen. Partijen in het centrum, aan de linker- of aan de rechterzijde, partijen die opkomen voor specifieke groepen in de samenleving, zoals ouderen of migranten, partijen die de nadruk leggen op hun religieuze identiteit, lokale partijen waarbij het vooral gaat om de aanleg van een nieuwe weg of andere plaatselijke onderwerpen en partijen die zich profileren als dier- en/of milieuvriendelijk. In vergelijking met andere landen hebben we het goed. In de VS is er eigenlijk maar keuze uit twee partijen. Als er al andere partijen aan de verkiezingen meedoen, bevinden die zich ergens in de marge. In Singapore is al 50 jaar dezelfde partij aan de macht. Ook daar zijn er wel tegenstrevers, maar die spelen geen rol van betekenis. Vergeleken met deze landen is onze keuzemogelijkheid enorm. Zelfs al heb ik het druk, ik probeer altijd de tijd te nemen om me te verdiepen in de standpunten van de verschillende partijen. Net zoals ik mijn historische roman niet kon schrijven zonder gedegen onderzoek, kan ik niet stemmen zonder me in de opties te hebben verdiept.

Eigen mening

Wat je politieke voorkeur ook is, het is belangrijk om je mening te laten horen. Of in dit geval te laten zien, door middel van het rode potloodje. Stemmen maakt me blij. Elke keer als ik heb gestemd ben ik er trots op dat ik in dit land mag wonen. En dankbaar dat iedereen hier een eigen mening mag hebben. Het is met politiek net als met boeken: wat de een geweldig vindt, schuift de ander terzijde. En dat is maar goed ook. Anders zou de wereld wel erg saai worden.

Effectief omgaan met perspectief

Hoe leuk is het om te horen dat een blog die je hebt geschreven, op internet wordt gepubliceerd? Onlangs heb ik dit plezier mogen ervaren.

Er stond een oproep op de website van Schrijven Magazine, waarin de webredactie aangaf op zoek te zijn naar gastbloggers. Gastblogs moesten (uiteraard) betrekking hebben op ‘schrijven’ en moesten binnen bepaalde limieten vallen qua aantal woorden, maar verder was de onderwerpkeuze vrij.

Ik heb een poging gewaagd en een stukje tekst ingestuurd over perspectief. Al snel kreeg ik bericht dat mijn blog zou worden geplaatst. Op 7 december was het zover: mijn bijdrage kon door de vele bezoekers van Schrijvenonline gelezen worden. Natuurlijk ben ik trots op het resultaat. Daarom deze keer geen nieuwe blog op mijn website, maar nog een keer: Effectief omgaan met perspectief.

 

Effectief omgaan met perspectief

Door Kristel Stassen op 7-12-2017 – reacties: 0

 

Op het moment dat ik de beslissing nam om mijn historische roman te gaan schrijven, was de term ‘vertelperspectief’ voor mij iets uit een ver en grijs verleden. Uiteraard was het onderwerp perspectief aan de orde gekomen tijdens mijn lessen Nederlands op de middelbare school, maar mijn schooltijd lag alweer bijna twintig jaar achter me. Daardoor was de kennis over vertelperspectieven niet meer vooraan in mijn hoofd aanwezig.

Optimistisch begon ik aan mijn boek. Ik probeerde de verschillende personages zoveel mogelijk diepgang te geven, zodat de lezer zich met hen zou kunnen identificeren. Vooral bij de hoofdpersonen verzon ik gebeurtenissen uit hun verleden of karaktertrekken die hun gedrag zouden kunnen beïnvloeden. Maar ook enkele bijpersonages konden in het verhaal iets van zichzelf laten zien.

Cursus schrijftechnieken

Juist op het moment dat mijn boek in mijn ogen bijna af was en ik het idee had dat ik zonder hulp van een professional niet meer verder zou komen, kwam de Schrijf Compagnie Masterclass op mijn pad. Ik mocht een week naar Portugal, waar schrijfdocent Marelle Boersma mijn medecursisten en mij verdiepende workshops aanbood over schrijftechniek. Daar kwam de term vertelperspectief al snel weer aan bod. Ik leerde (opnieuw) het verschil tussen een auctoriële verteller, een personale verteller en een ik-verteller. En begon te begrijpen hoe de verteller die je kiest, het hele verhaal kan beïnvloeden. Het hoofdpersonage kan een gebeurtenis immers heel anders beleven dan bijvoorbeeld haar beste vriendin, terwijl haar broer weer dingen opvalt die zij en haar vriendin nooit hebben gezien. Ook de emoties die personages voelen, kunnen bij dezelfde gebeurtenis heel anders zijn. Oftewel: welk verhaal je als schrijver vertelt, hangt af van wiens perspectief je kiest. En dat mogen er nooit te veel zijn, omdat het voor veel lezers dan te moeilijk wordt zich in de personages in te leven.

Schrappen en herschrijven

Na de cursus moest ik rigoureus gaan schrappen en herschrijven (daar ben ik op het moment nog steeds mee bezig). De meer dan twintig(!) perspectieven die ik gebruikte, heb ik teruggebracht naar vier. In elke verhaallijn twee. Dat was best lastig, want scènes waarbij de ‘vertelpersonages’ niet aanwezig zijn, moest ik schrappen. Om vervolgens een oplossing te vinden voor de informatie in die scènes die ik toch in het boek wilde hebben. Maar het resultaat was het zwoegen waard: ik merkte hoe het verhaal aan kracht won door de wijzigingen die ik doorvoerde. Hoewel het leuk en leerzaam is om hiermee bezig te zijn, had ik veel efficiënter kunnen werken als ik van tevoren meer had nagedacht over het vertelperspectief. Daarom is mijn tip voor beginnende schrijvers: bedenk vooraf heel goed welk verhaal je wilt vertellen. Wiens gedachten, emoties en ideeën vormen het uitgangspunt van jouw verhaal? Richt je vanaf het begin op dit personage of deze personages. Het maakt je verhaal krachtiger en bespaart je heel veel tijd.

Ik weet nu ook weer waarom ik mijn lessen Nederlands beter had moeten onthouden.

Kristel Stassen is freelance adviseur Omgevingswetgeving. Naast ondernemer is ze ook tweelingmoeder, ex-expat en geschiedenisliefhebber. Schrijven doet ze al haar hele leven, variёrend van wervende teksten voor brochures, tot korte stukjes voor tijdschriften en blogs over haar verblijf in het buitenland. Momenteel schrijft ze haar eerste historische roman. Meer weten over Stassen? Kijk op haar Facebookpagina

Sinter-klagen

Het is weer bijna zo ver: het feest van Sinterklaas. Met twee jongens die inmiddels niet meer tot de ‘jongste doelgroep’ behoren, heeft het feest een andere lading gekregen dan voorheen. Zodra de lootjes getrokken gaan worden, stuiteren mijn kinderen door het huis. Klaar om Sinterklaas te gaan helpen. Wie zouden ze dit jaar hebben? En wat voor geweldige surprises gaan ze maken? Ik geniet altijd enorm van de voorpret. Niets zo gezellig als met het hele gezin knutsels maken voor de rest van de familie, natuurlijk onder het genot van Sinterklaasmuziek, pepernoten en (bij voorkeur) warme chocolademelk. Er is alleen één probleem dat ik continu probeer te ontkennen, maar dat zich ieder jaar weer keihard aan me opdringt.

Ik ben onhandig.

En dan bedoel ik niet een beetje. Ik ben echt het prototype mens met twee linkerhanden (wat natuurlijk heel vervelend is als je rechtshandig bent). Vroeger op school was dat al zo. Handvaardigheid, handwerken, het heeft me nooit gelegen. Ik had altijd onvoldoendes of hooguit af en toe, als de leerkracht een goed humeur had, een zes min voor de moeite. Creatieve ideeën genoeg hoor, daar ligt het niet aan. In mijn hoofd zie ik de meest geweldige surprises, een perfecte match bij iets wat de ontvanger heeft meegemaakt afgelopen jaar, of juist helemaal passend bij het cadeautje. Meestal heb ik er binnen een half uurtje ook een mooi gedicht bij geschreven. Maar de praktische uitvoering blijft vervolgens achter.

Het begint al als ik mijn man vol enthousiasme enkele van mijn ideeën voorschotel. Op zijn best kijkt hij me wat meewarig aan, maar hij barst ook regelmatig in lachen uit. Om vervolgens te zeggen: schat, je weet toch dat de kinderen en ik óók nog in de auto moeten passen? Juist ja. Dan toch maar iets kleiners.

Zodra ik karton, klei, kralen, gekleurd papier, scharen, plakband, veren, kleurpotloden en dubbelzijdig tape bij elkaar heb geraapt, begint het echte werk. Het eerste dat ik ga knippen mislukt meestal al, omdat ik de formaten niet goed heb uitgemeten. Of omdat ik iets van blauw papier maak en dan bedenk dat rood toch beter is, omdat het blauwe papier bijna op is en ik het daar niet mee ga redden. Vervolgens moet ik aan de slag met tape of plakband en dat is een drama op zich. Standaard scheurt dat plakband in dunne stroken of kleven de uiteinden aan elkaar of aan mijn vingers of in mijn haar of waar dan ook… Aarrggh. Om nog maar te zwijgen over klei en papier-marché. Meestal vraag ik me binnen tien minuten af waarom ik mezelf dit ieder jaar weer aan doe. Het eind van het liedje is vaak dat ik mijn man om hulp moet vragen – hij is wel handig namelijk – of dat ik eindig met iets dat ‘wel aardig’ is, maar bij lange na niet het niveau heeft dat ik had beoogd.

Ontzettend irritant.

Maar ach. Een mens kan niet overal goed in zijn, denk ik dan. Ik heb weer andere talenten. Schrijven bijvoorbeeld. Ik kan dan misschien niet knutselen, maar ik heb wel mijn historische roman zo goed als af. Dus misschien moet ik maar gewoon eens stoppen met dat Sinter-klagen.

Een goede titel: zo simpel nog niet!

Een van de moeilijkste dingen aan het schrijven van een boek is misschien nog wel het bedenken van een pakkende titel. In tegenstelling tot bij het schrijven zelf, dat gebonden is aan bepaalde technieken die je kunt leren toepassen, zijn er geen regels om te bepalen hoe je boek moet gaan heten. In principe mag alles: lang, kort, met of zonder de naam van de hoofdpersoon, in één keer duidelijk of juist geheimzinnig. Het is maar net wat je als auteur zelf wilt.

Natuurlijk kan een uitgever hierbij helpen, maar je zult als schrijver toch minimaal met een werktitel moeten komen als je je boek aanbiedt bij een uitgever.

Eerste poging

Al enige tijd geleden bedacht ik voor mijn historische roman de titel ‘Tot het einde van de wereld’. Deze titel was niet willekeurig gekozen, maar gebaseerd op iets dat gebeurt in mijn verhaal. Als ik nu vertel waar deze titel vandaan komt, geef ik naar mijn idee wat te veel weg. Dat ga ik dus niet doen. Maar natuurlijk kun je te zijner tijd mijn boek lezen als je meer wilt weten.

Brainstorm

Kern van de zaak is dat ik deze titel enerzijds wel mooi vond, maar er anderzijds niet helemaal tevreden over was. Het was niet ‘pakkend’ genoeg. Tijdens mijn schrijfweek in Portugal heb ik mijn medecursisten en schrijfcoach Marelle Boersma gevraagd of we een brainstormsessie konden houden over mijn titel. Die middag met zijn allen nadenken bleek ontzettend nuttig te zijn. De mogelijke titels vlogen me om de oren; de een was nog mooier dan de andere. Met een schat aan ideeën keerde ik huiswaarts.

Nieuwe vondst

Thuis ben ik verder gaan werken aan mijn verhaal. Ondertussen dacht ik na. Woog de voor- en nadelen van verschillende titels af en probeerde andere, vergelijkbare titels. Maar eigenlijk was het vanaf het begin al duidelijk: het moest een van de titels uit de brainstormsessie worden. De nieuwe titel dekt de lading, heeft betrekking op de kern van het verhaal, maar geeft nog niet alles weg. Omdat ik toch bezig was, heb ik er meteen maar een ondertitel bij verzonnen, waarvan ik hoop dat deze de lezer zal prikkelen en nieuwsgierig zal maken naar het verhaal.

Met trots presenteer ik de nieuwe titel:

             ‘Omdat u het zegt’

                                     Wat doe je als je gedwongen moet liefhebben?

 

Ik ben benieuwd of deze titel jullie aanspreekt. Je kunt het laten weten als reactie op mijn blog.

Bedreigd om je werk

Het is de laatste jaren geregeld in het nieuws: geweld tegen hulpverleners. Ambulancemedewerkers, politiemensen en brandweerlieden worden bedreigd, terwijl ze hun uiterste best doen om mensen te helpen. Ik vraag me altijd af wat mensen toch bezielt om zich op die manier tegen hun medemensen te keren. Ongetwijfeld zal er regelmatig drank- of drugsgebruik in het spel zijn, maar soms wordt bewust geweld gebruikt. Bedreiging, ter plaatse of via social media, komt ook regelmatig voor.

Niet alleen hulpverleners worden bedreigd, maar ook mensen in andere beroepsgroepen, zoals politici, ambtenaren of medewerkers van bedrijven. Vorige week hoorde ik bij een van de opdrachtgevers voor wie ik werk, dat bij de Omgevingsdienst Midden Holland een rij dienstauto’s is afgebrand. Vermoedelijk is er sprake van brandstichting.

Balanceren

Omgevingsdiensten zijn overheidsorganisaties die verantwoordelijk zijn voor de bescherming van onze ‘fysieke leefomgeving’. Dit betekent dat deze organisaties ervoor zorgen dat bedrijven zich houden aan de regels met betrekking tot het milieu en onze veiligheid. Dit doen ze door vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving van de gestelde regels en, waar nodig, handhavend op te treden als een bedrijf zich niet aan de regels houdt. Dit is een lastige taak, want je balanceert tussen verschillende belangen. Enerzijds de economische belangen van de bedrijven zelf en van de regio waarin ze gelegen zijn (werkgelegenheid is hard nodig); anderzijds de belangen van de omwonenden, die in een gezonde en veilige omgeving willen leven. Daarnaast is er dan nog de wetgeving, waar we ons met zijn allen aan zullen moeten houden. De medewerkers van de Omgevingsdiensten zijn zich bewust van de dunne lijn waarop ze lopen en beseffen dat het soms heel lastig is om het iedereen naar de zin te maken.

Heel vaak gaat het goed, worden de vergunningvoorschriften nageleefd en blijft een bedrijf binnen de opgelegde normen. Problemen zijn echter niet altijd te voorkomen. Defecte installaties, menselijke fouten: een ongeluk zit in een klein hoekje.

Als een bedrijf zich bewust niet aan de regels houdt, dan kunnen Omgevingsdiensten hier tegen optreden. Dit kan met bestuursrechtelijke maatregelen, zoals het opleggen van een dwangsom of zelfs het stilleggen van het bedrijf, maar ook strafrechtelijke vervolging komt soms voor.

Onvrede

Uiteraard kunnen dergelijke zaken leiden tot onvrede. Bedrijven kunnen het niet eens zijn met strenge normen die ze krijgen opgelegd of met maatregelen die tegen hen worden genomen. Omwonenden kunnen ongelukkig zijn met de negatieve milieugevolgen die de aanwezigheid van een bedrijf met zich meebrengt. Dit is allemaal heel logisch en begrijpelijk. Toch zou het fijn zijn als iedereen eens wat beter na zou denken voor hij/zij geweld gebruikt of iemand ernstige bedreigingen naar het hoofd slingert. Het overgrote merendeel van de mensen in deze maatschappij, van hulpverleners tot politici, ambtenaren en ook medewerkers van bedrijven, doet zijn of haar werk op een zo goed mogelijke manier. Met respect voor de medemensen en het milieu. Daarom zou het fijn zijn als we allemaal zouden proberen kalm te blijven als we het ergens niet mee eens zijn. Ergens over klagen mag, je mening geven mag, maar bedreiging en het gebruik van geweld tegen mensen die gewoon hun werk doen, is wat mij betreft onacceptabel.

Het zijn er twee!

‘Zie ik daar nou een tweede?’
Ik hoor het de leerling echoscopiste nog zeggen, terwijl ze een grijze vlek op het scherm aanwijst en haar ervaren collega vragend aankijkt.
De oudere dame knikt. ‘Ja, dat heb je goed gezien,’ zegt ze. En vervolgens tegen mijn man en mij: ‘Gefeliciteerd, jullie krijgen een tweeling.’
Sommige mededelingen maken zo veel indruk dat je er tien jaar later nog wel eens over droomt. Dit is er zo een.

Oke, helemaal onverwacht kwam de boodschap niet. Drie dagen voor de termijnecho waren we bij de verloskundige verzeild geraakt in een discussie over de zwangerschapsduur. Ik wist zeker dat ik 8 weken ver was, maar zij was ervan overtuigd dat ik al veel verder moest zijn. Mijn baarmoeder was te groot voor 8 weken. Zij dacht eerder aan 14 weken. Ik geloofde er niets van; mijn gevoel zei me dat dat niet klopte.

Volgens haar waren er twee andere opties waarbij de baarmoeder bij 8 weken al een 14-weken-grootte kon hebben. De eerste mogelijkheid was dat ik  een grotere baarmoeder zou hebben dan de gemiddelde vrouw. Gezien mijn geringe lengte en mijn tengere figuur viel die optie voor mij af. Waarom zou nou net dat ene onderdeel aan mij zoveel groter zijn dan gemiddeld?

De tweede mogelijkheid was dat er een tweeling zou komen. Met twee embryo’s en later twee baby’s groeit de baarmoeder immers sneller. ‘Maar die kans is klein hoor,’ voegde ze eraan toe. ‘Tweelingen komen niet zo vaak voor.’ (dat idee hadden we inderdaad al. We kenden tot dat moment trouwens ook niemand met een tweeling. Inmiddels wel een behoorlijk aantal ).

Op weg naar huis zei ik tegen mijn man dat ik het gevoel had dat het een tweeling zou worden. Op de een of andere manier wist ik het gewoon.

En toch… als het dan uitgesproken wordt, dan schrik je. Ook omdat de tweeling eeneiig bleek te zijn, wat allemaal medische problemen met zich kan meebrengen. De tweeling was, zoals ze dat noemen: ‘monochoriaal, diamniotisch‘. Dit betekent dat de kinderen een eigen binnenste vruchtvlies hadden, maar het buitenste vruchtvlies en de placenta deelden. Een van de medische problemen die bij een dergelijk type tweeling kan optreden, is het tweeling transfusie syndroom (TTS, een ernstige ziekte waarbij de baby’s een verbonden bloedbaan hebben en de een bloed ‘doneert’ aan de ander).

In de auto op weg naar huis waren we stil. Overdonderd. We waren blij, maar ook bezorgd. Het was een heel dubbel gevoel. Gelukkig behield mijn man zijn gevoel voor humor met een legendarische opmerking: ‘Jij klunsje, je kan niet eens je bevruchte eicel heel houden.’

Iets waar onze (gelukkig gezond geboren) tweeling inmiddels heel hard om moet lachen.

Schrijfweekend Portugal

Vandaag is het precies twee weken geleden dat ik thuis kwam van een geweldige, zeer intensieve schrijfweek in Portugal. Het heeft lang geduurd voordat ik eindelijk weer ‘geland was’ in mijn drukke leven van werk, kinderen, sport, huishouden, sociale contacten, etc.

Mijn verhaal ging (en gaat) maar niet uit mijn hoofd. En dat is goed: ik wil in die ‘flow’ blijven waar ik in Portugal in terecht ben gekomen. Ik heb daar ontdekt dat mijn boek veel minder af is dan ik had gedacht. Er is werk aan de winkel!

Elke avond minimaal één hoofdstuk, dat is de nieuwe discipline die ik mezelf sinds mijn thuiskomst opleg.

De Schrijf Compagnie Masterclass, georganiseerd door thrillerauteurs Marelle Boersma en Linda Jansma en hun uitgeverij de Crime Compagnie, was enorm leerzaam. De constructieve manuscriptbeoordeling van Linda had me al een aantal pijnpunten in mijn verhaal laten zien, maar na mijn week in Portugal weet ik dat een intensieve cursus met een goede schrijfdocent heel veel toevoegt. Marelle wees mijn medecursisten en mij niet alleen op de verbeterpunten in onze verhalen, maar leerde ons ook hoe we die konden aanpakken. Erg knap, want die verbeterpunten waren bij ons allemaal anders. Zelf moest ik vooral aan de slag met het perspectief, maar anderen hadden moeilijkheden met de spanning, het creëren van meer sfeer of juist met de diepgang van een personage.

Doordat Marelle zo’n goede schrijfdocent is, wist ze ons allemaal precies datgene te geven wat we nodig hadden.

Wat ook zeker niet onbelangrijk is bij zo’n intensieve schrijfcursus: de locatie en de sfeer in groep. Beiden waren dik in orde. Het landgoed van Marelle en Jan is prachtig en bovenal rustgevend. Een perfecte plek om alle dagelijkse beslommeringen uit je hoofd te laten verdwijnen en ruimte te maken voor je verhaal. Elke dag was er tijd om te schrijven op een van de rustige, schaduwrijke schrijfplekjes, met prachtig uitzicht. Het heerlijke Portugese eten dat Jan ons iedere dag voorzette, meestal vers van het eigen land, droeg er aan bij dat we optimaal konden presteren. Een betere inspiratie is niet denkbaar.

De sfeer was bijzonder. Alle cursisten waren vreemden voor elkaar op de dag van aankomst, maar na een week waren we echt een groep. We deelden verhalen (niet alleen de boeken, maar ook dingen uit ons eigen leven), inspireerden elkaar en hielpen elkaar door het geven van opbouwende feedback. De oefening waarbij we elkaar interviewden als een van onze hoofdpersonages en de schrijfcafé-sessies waarin we brainstormden over onze boeken waren heel waardevol.

Antoinette Kalkman, Babara Sevenstern, Ellis Souwerbren, Tamara Onos en ik hebben allemaal hetzelfde doel voor ogen: debuteren in 2018. Dit is dan ook de belofte die we aan elkaar hebben gedaan. Want als je iets echt wilt, dan moet je jezelf een serieus doel stellen en daarnaartoe werken, anders gebeurt het nooit.

Mijn medecursisten schrijven allemaal een thriller. Dus ben je fan van dit genre, dan kun je hun vorderingen volgen via www.antoinetteschrijft.nl, www.barbaraschrijft.nlwww.tamaraonos.nl en de Facebookpagina van Familiegeluk, en in een later stadium de website Ellis. Lees je graag historische romans, dan kun je deze website volgen of de Facebookpagina van mijn boek.